|
Yari
|
Een speer of lans. Voornamelijk gebruikt door de boeddhistische (vecht)monniken (heisô) maar later ook door de samoerai die toen langzamerhand de samoerai met pijl en boog gingen vervangen. Ook de soldaten te voet (ashigaru) gingen de yari gebruiken. De yari werd ook langer. In het leger van Oda Nobunaga had men wel yari van ruim vijf meter lang.
|
|
Yayoi cultuur
|
Rond 300 v. C. staken groepen mensen van het vaste vasteland (Korea) het water over en vestigden zich aanvankelijk in Kyushu. Later trokken zij verder naar het oosten, naar Honshu, voornamelijk in de Yamato vlakte, het gebied bij het huidige Kyoto. De meegebrachte cultuur kende landbouw en metaalbewerking (ijzer en brons). Tot ongeveer 300 n. C. spreekt men van de Yayoi periode.
De Yayoi periode ligt qua tijd tussen de Jômon- en Kofun periode in.
|
|
Yayoi Periode
|
Periode van 300 voor Chritus tot 300 na Christus. Vervaardiging van sierlijk aardewerk met geometrische patronen en bronzen kloken versierd met graveerwerk.
|
|
Yen ( ¥ )
|
De Yen is de Japanse munteenheid. 100 Yen = € 0,75 (juni. 2009)
|
|
Yobiko
|
Voorbereidende school. Wordt vaak in de avonduren en/of in de weekenden als aanvulling op de normale school gevolgd, ten einde het toelatingsexamen voor de universiteit te kunnen doen.
|
|
Yoshiwara
|
Bekende uitgaanswijk (met geisha's en courtisanes) in Edo (Tokyo) tijdens de Edo periode.
|
|
Yubinkyoku
|
|
|
Yukata
|
Een niet gevoerde katoenen (vaak blauwe) kimono-achtige dracht. Wordt door mannen, vrouwen en kinderen gedragen, bijv. na een bad maar ook 's zomers op straat.
|
|
Yusu Hosuteru
|
Jeugdherberg (uit buitenlandse taal geïmporteerd woord)
|
|
Zabuton
|
Vierkant plat kussen waarop men zit (op de grond).
|
|
Zaibatsu
|
Een conglomeraat van bedrijven onder een moedermaatschappij, meestal een bank. Dergelijke groepen van bedrijven waren voor de Tweede Wereldoorlog zeer machtig in Japan maar werden door de Amerikanen verboden. Later kwamen ze toch weer terug onder de naam 'keiretsu'. Voorbeelden zijn: Mitsui, Mitsubishi, Sumitomo en Sanwa. Zij hebben allemaal een grote bank als een soort moederbedrijf.
|
|
Zazen
|
Meditatievorm bij zen, waarbij men op een bepaalde wijze zittend mediteert. Achter de mediterende loopt een monnik die op de schouder van de mediterende slaat met een 'keisaku' (een eikenhouten lat) als zijn aandacht afdwaalt.
|
|
Zen (boeddhisme)
|
Een vorm van boeddhisme die tijdens de Kamakura periode (1189-1333) vanuit China (tijdens de Sung dynastie) werd geïntroduceerd door terugkerende Japanse monniken.
Eisai (1141-1215) stichtte de Rinzai sekte en Dogon de Soto sekte. Verschil met 'gewoon' boeddhisme is dat men de verlichting bereikt door meditatie en niet door het opzeggen van soetra's.
|
|
Zenkô
|
Als een kampaku aftrad kon hij zenkô worden mits aan twee voorwaarden werd voldaan. Hij moest worden opgevolgd door zijn zoon en hij moest zich kaal scheren en monnik worden. Werd hij niet opgevolgd door zijn zoon dan kreeg hij helemaal geen titel en als de zoon hem wel opvolgde maar de kampaku wed geen monnik dan werd hij taikô .
|
|
Zentuin
|
Een droge grindtuin. Heet eigenlijk "karesansui".
|
|
Zori
|
Slipper- of sandaalachtige schoenen waarbij tabi als sokken gedragen worden. De zori waren vroeger van stro en tegenwoordig meer van kunststof.
|